De hier gepubliceerde tribunes van leden van het BOBR vormen bijdragen aan het debat over onderwerpen die relevant zijn voor het beroep van bedrijfsrevisor. Zij geven enkel het standpunt van ons Centrum weer wanneer zij in die hoedanigheid (qualitate qua) door één of meerdere bestuurders worden ondertekend.
De zomer van 2026 bracht een aantal onconventionele ideeën met zich mee om de organieke wet van 7 december 2016 betreffende het beroep van bedrijfsrevisor te hervormen.
Het BOBR staat uiteraard open voor elke hervorming die tot doel heeft de organisatie en het toezicht op het beroep te verbeteren. Het verzet zich echter resoluut tegen maatregelen die bijkomende risico’s zouden creëren voor de aantrekkelijkheid van het beroep en voor het verantwoord ondernemerschap van zijn leden.
Indien men met name de externe kwaliteitsinspecties van auditkantoren wil aanpassen, dan moet dat gericht zijn op een verdere uitwerking van het proportionaliteitsbeginsel, zoals reeds verankerd in de huidige wetgeving, en niet op een beperking van de verdedigingsrechten van bedrijfsrevisoren.
Bedrijfsrevisoren oefenen een vrij beroep uit en dragen bij aan de betrouwbaarheid en transparantie van de informatie die ondernemingen verspreiden. Zij staan daarmee ten dienste van alle stakeholders van onze sociale markteconomie. Zij zijn echter geen uitvoerders van een overheidsgezag dat hen, wanneer zich moeilijkheden voordoen, een effectieve en snelle toegang tot een onafhankelijke rechter zou kunnen ontzeggen.
Daarnaast moet worden gewaarborgd dat wanneer een onderneming een beroep doet op een bedrijfsrevisor, de opdracht wordt uitgevoerd volgens dezelfde wettelijke, professionele en deontologische normen, ongeacht de omvang van het kantoor van de bedrijfsrevisor. Daarbij spreekt het voor zich dat de concrete toepassing van deze normen proportioneel moet zijn in functie van de aard van de opdracht en de omvang van de betrokken onderneming, bijvoorbeeld in het geval van maatschappelijk relevante ondernemingen.
Het toezicht op de economische beroepen moet dan ook eerlijke concurrentievoorwaarden waarborgen en zorgen voor een gelijk speelveld (“same level playing field”) tussen de verschillende kantoren. Vanuit het proportionaliteitsbeginsel dienen kwaliteitsinspecties gedifferentieerd te worden georganiseerd naargelang de aard van de controleopdracht en de omvang van de gecontroleerde onderneming.
Meer algemeen geldt dat elke ingrijpende wetswijziging best voorafgegaan wordt door een onafhankelijke evaluatie van de bestaande regelgeving, waarbij eventuele tekortkomingen die zich in de praktijk hebben voorgedaan systematisch worden geïnventariseerd en geanalyseerd.
Hervormingen dienen bovendien aan te sluiten bij de politieke wil om de administratieve lasten te verminderen en overmatige omzetting van Europese richtlijnen te vermijden (“no gold plating”). Wat het publiek toezicht betreft, zien wij geen enkele noodzaak om vooruit te lopen op de conclusies van het door de Europese Commissie opgestarte traject rond dit onderwerp.
De Raad van Bestuur van het BOBR heeft dan ook beslist om elke actie te ondersteunen die aansluit bij bovenstaande uitgangspunten. Daarbij werd in het bijzonder het volledige vertrouwen en de steun bevestigd aan de Raad van het IBR in zijn dialoog met de overheid.
Prof. Michel De Wolf
Voorzitter van het BOBR
Jan Smits
Vicevoorzitter van het BOBR en voorzitter van de Conferentie van Middelgrote Kantoren
Gaëtan Dumortier
Bestuurder van het BOBR en voorzitter van de Conferentie van Kleine tot Middelgrote Kantoren
Jonge bedrijfsrevisoren belichamen de toekomst van een beroep dat essentieel is voor de goede werking van de economie. Nochtans gaat er achter het beeld van expertise, nauwkeurigheid en stabiliteit dat het beroep uitstraalt, een dagelijkse realiteit schuil vol structurele uitdagingen die vragen oproepen over de aantrekkelijkheid en de duurzaamheid van het beroep.
Een van de grootste struikelblokken blijft de toegang tot het aandeelhouderschap. Voor veel jonge professionals is het vennoot worden een vanzelfsprekend doel, dat staat voor erkenning en een grotere betrokkenheid bij het bestuur van de kantoren. Toch blijft die toegang vaak beperkt of zelfs ondoorzichtig. Enerzijds zijn er aanzienlijke financiële drempels: de vereiste investering kan afschrikwekkend zijn, zeker aan het begin van de carrière. Anderzijds zijn de toetredingscriteria niet altijd duidelijk vastgelegd, wat leidt tot onzekerheid. Deze situatie kan frustratie en demotivatie veroorzaken en sommige talenten ertoe aanzetten om uit te kijken naar andere professionele horizonten waar de doorgroeiperspectieven duidelijker zijn.
Daarnaast vormt ook de deelname aan de werking van ons Instituut een spanningspunt. Veel jonge revisoren willen zich graag engageren in commissies of werkgroepen en zo bijdragen aan de evolutie van normen, praktijken en het collectieve denkproces. In de praktijk wordt de nodige tijd voor dat engagement echter zelden vrijgemaakt door de kantoren. Operationele druk, strakke deadlines en de focus op rendabiliteit maken elke extra‑professionele inzet moeilijk, zelfs wanneer die op lange termijn de beroepsgroep ten goede komt. Dit gebrek aan beschikbaarheid remt de vernieuwing van ideeën af en beperkt de vertegenwoordiging van jongere generaties in de besluitvormende organen.
Daarbij komt de kwestie van de work‑life balance, die centraal staat in de verwachtingen van nieuwe generaties. Hoewel sommige kantoren al stappen hebben gezet richting meer flexibiliteit, blijft het evenwicht tussen werk en privéleven vaak precair. Vooral tijdens piekperiodes zijn de werklasten hoog en de werktijden lang, wat kan wegen op de gezondheid, het gezinsleven en persoonlijke engagementen. Deze realiteit botst met de huidige aspiraties, waarbij ontplooiing niet langer uitsluitend wordt gedefinieerd door professioneel succes.
Deze vaststellingen mogen niet worden gezien als onvermijdelijkheden, maar eerder als kansen tot evolutie. Het beroep van bedrijfsrevisor heeft zich altijd weten aan te passen aan diverse (economische, regelgevende, …) veranderingen; vandaag staat het voor een menselijke en organisatorische uitdaging. Het vergemakkelijken van de toegang tot het aandeelhouderschap, het aanmoedigen van engagement binnen ons Instituut en het herdenken van onze manier van werken zijn stuk voor stuk hefbomen om de aantrekkelijkheid van het beroep te versterken.
Jonge revisoren een echte plaats geven, betekent investeren in de duurzaamheid en de geloofwaardigheid van het beroep. Hen duidelijke perspectieven bieden, tijd geven om zich te engageren en zorgen voor een duurzame levensbalans is niet alleen een kwestie van individueel welzijn: het is een essentiële voorwaarde om de opvolging te verzekeren en de uitmuntendheid van het beroep op lange termijn te behouden.
Gaëtan Dumortier

Het wetsontwerp, voorzien om in werking te treden op 1 januari 2026, dat een belasting invoert op meerwaarden gerealiseerd door natuurlijke personen op financiële instrumenten vormt een van de belangrijkste fiscale hervormingen,. Dit ontwerp werd op 3 april 2026 goedgekeurd door de Kamer.
Het breekt met het traditionele principe van vrijstelling van meerwaarden die worden gerealiseerd in het kader van het normaal beheer van het privévermogen en voert een autonome belasting in binnen de personenbelasting.
Er wordt voorzien in een “step-up”-mechanisme op 31 december 2025 om latente meerwaarden opgebouwd vóór de inwerkingtreding van het regime uit de belastbare basis uit te sluiten.
De wet, in haar huidige vorm, roept reeds verschillende bemerkingen op.
Naast de fiscale parameters werpt de wet belangrijke technische vragen op inzake waardering, professionele opdracht en methodologisch kader:
De wet bepaalt dat enkel een professional die niet de gebruikelijke adviseur is, de waardering mag uitvoeren.
Aangezien het geen assurance-opdracht betreft, gelden er strikt genomen geen onafhankelijkheidsregels, maar de beroepsbeoefenaar moet erover waken dat de uitgevoerde opdracht de onafhankelijkheid van een eventuele commissaris niet in het gedrang brengt indien deze tot hetzelfde netwerk behoort.
Dit is essentieel voor de geloofwaardigheid van het beroep en de tegenwerpelijkheid van de uitgevoerde waardering.
b) Methoden voor de bepaling van de waarde van vennootschappen
De wet voorziet in omkaderde waarderingsmechanismen, met name een verwijzing naar een waardering die werd gehanteerd in het kader van een recente kapitaaloperatie of een berekening via optelling van het eigen vermogen en 4× EBITDA.
Deze wettelijke regels roepen reeds belangrijke vragen op:
Indien men wil afwijken van de in de wet voorziene waarderingsmechanismen, moet de belastingplichtige een cijferberoeper inschakelen om de waardering van zijn roerend vermogen per 31 december 2025 vast te stellen. Deze opdracht moet uiterlijk tegen 31 december 2027 worden uitgevoerd.
Dit type opdracht biedt belangrijke ontwikkelingskansen, maar houdt ook risico’s in:
De vertegenwoordigers van het BOBR binnen de verschillende instanties van het IBR stellen alles in het werk om de leden duidelijkheid te verschaffen over de gevolgen en het kader voor de uitvoering van deze opdrachten.
Charles-Henri de Streel, Penningmeester
Bij het BOBR zetten we ons al jaren in om onze leden zo goed mogelijk te ondersteunen bij de voorbereiding op het mondelinge bekwaamheidsexamen. Twee keer per jaar organiseren we daarom een voorbereidende sessie waarin zowel theorie als praktijkervaring aan bod komen. Dit jaar namen 23 kandidaten deel aan deze voorbereiding, waarvan er 7 uiteindelijk slaagden. Dat is helaas een relatief laag percentage, en precies daarom willen we onze aanpak verder versterken.
Uit onze recente evaluatie blijkt dat veel kandidaten sterk terugvallen op hun praktijkervaring, maar dat de theoretische basis niet altijd voldoende wordt meegenomen in hun antwoorden. Daarnaast zien we dat sommige kandidaten extra hulp kunnen gebruiken op het vlak van communicatie en houding: helder en gestructureerd antwoorden, professioneel overkomen en zelfvertrouwen uitstralen tijdens het examen zijn belangrijke elementen die zeker meetellen.
Om hier beter op in te spelen, willen we in dit jaar een extra halve dag organiseren met een duidelijke focus op coaching. Dit concept werd vroeger al met succes toegepast en we brengen het nu opnieuw tot leven. Tijdens deze sessie combineren we een herhaling van de belangrijkste theoretische punten met praktische oefeningen, rollenspelen en gerichte feedback. Het doel is eenvoudig: onze kandidaten sterker, zelfverzekerder en beter voorbereid aan het examen laten starten.
We houden jullie op de hoogte van de exacte datum, het programma en de inschrijvingsmodaliteiten zodra deze vastliggen.
Met deze vernieuwde aanpak hopen we het slaagpercentage in de toekomst aanzienlijk te verhogen en onze leden nog beter te ondersteunen in hun traject.
Jan Smits, ondervoorzitter

In veel domeinen versnelt de geschiedenis. De auditsector vormt hierop geen uitzondering.
Ook voor ons betekent artificiële intelligentie een echte ommezwaai.
Veel analyses die tot nu toe dagen werk vroegen van stagiairs of andere junior medewerkers, kunnen vandaag in enkele seconden uitgevoerd worden door een “machine”.
Het is zelfs al mogelijk om een AI‑tools te vragen een auditplanning voor te
stellen met een werkprogramma dat conform is aan de ISA‑normen en aangepast aan de kenmerken van de klant.
Deze revolutie laat ons toe met iets meer gerustheid naar het moeilijke vraagstuk van personeel aanwerving te kijken, zeker in een periode van talenten schaarste en demografische krapte. Maar ze vraagt ook van de ondertekenende revisor een grotere waakzaamheid voor fouten die door een “tool” gemaakt kunnen worden, inclusief op het vlak van het beroepsgeheim. En zelfs voor het risico dat sommige klanten artificiële intelligentie zouden gebruiken om de revisor te misleiden.
In deze context zal het BOBR meer dan ooit zijn leden blijven ondersteunen en hun collectieve belangen verdedigen, ongeacht hun omvang.
Qua ondersteuning blijven we acties verderzetten die gericht zijn op het delen van bepaalde investeringen, het opleiden van jonge medewerkers, het stimuleren van uitwisseling van ervaringen en “best practises”, en dat in het bijzonder voor thema’s die voortvloeien uit artificiële intelligentie.
Wat de verdediging van de collectieve belangen van kleine en middelgrote kantoren betreft, gaat het erom ruimte in de hoofden en in de planning vrij te maken om de audit van de nieuwe generatie ernstig te kunnen ontwikkelen. In samenwerking met het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, en met de ambitie om een steeds hogere kwaliteit in de uitvoering van de opdrachten te waarborgen, zullen we ons blijven inzetten voor eerlijke concurrentievoorwaarden met andere beroepen, en voor een consequente toepassing van het proportionaliteitsbeginsel in de normering en het toezicht op onze eigen beroepsgroep.
Namens de vicevoorzitter, de secretaris-penningmeester en de verantwoordelijke opleidingen wens ik de leden van het BOBR een inspirerend jaar 2026!
Prof. Michel De Wolf, voorzitter van CBCR-BOBR
